|
|
De kabeljauw dreigt
overal ter wereld volledig te worden weggevist. Overheden zien een rem
op de vangst als dé oplossing. De EU besloot begin december het
vangstquotum verder terug
te brengen, maar het is de vraag of dat werkt. Hoewel het
contra-intuïtief lijkt, moet je juist
een deel van de prooivissen wegvangen.
Rond 1970 was de paaistand voor de kabeljauw in de Noordzee nog 250.000
ton. Nu, dertig
jaar later, laat de weegschaal niet veel meer dan 50.000 ton zien. In de
Baltische zee, voor
de westkust van Zweden en in de noordwestelijke Atlantische Oceaan
voltrekt zich een zelfde
drama. In dit laatste gebied, op het continentale plat van Canada en de
Verenigde Staten,
stortte de kabeljauwpopulatie begin jaren negentig volledig in. Daarop
besloot de Canadese
overheid om de vangst geheel te verbieden. Zelfs na ruim tien jaar heeft
dit moratorium nog
niet geleid tot een herstel van de populatie.
Wellicht bieden nieuwe ecologische inzichten nog een kans. Het lijkt
contra-intuïtief, maar
waarschijnlijk moet je in Canada beginnen met het wegvissen van een deel
van de prooi.
Dun je de middengroep daarvan uit, dan heeft de rest van de prooien meer
kans om uit te
groeien tot volwassen exemplaren en zich te reproduceren. Daarmee krijg
je een hogere
dichtheid van de voor de kabeljauw zo broodnodige kleine vissen.
Het verbod op de kabeljauwvangst lijkt in eerste instantie een veel
logischer oplossing om
de kabeljauwpopulatie te herstellen. Aan de basis van deze gedachte ligt
een ecologisch
model van een voedselketen met drie niveaus; een voedselbron (de
resource), een
consument die leeft van die bron en een predatorsoort die jaagt op de
consument.
De predatorsoort in deze levensgemeenschap is de kabeljauw. In het
noordwestelijke deel van
de Atlantische Oceaan jaagt de roofvis bijna uitsluitend op lodde. En
dit visje voedt zich op zijn
beurt voornamelijk met plankton. Plankton is de motor waar deze
levensgemeenschap op draait.
De productie van plankton is voornamelijk afhankelijk van de eigen
dichtheid. De groeisnelheid
van lodde en kabeljauw is gelijk aan het verschil tussen het aantal
geboorten en het aantal
sterfgevallen per tijdseenheid. Hoe hoger de dichtheid van het plankton,
hoe sneller lodde zich
voortplant. De sterfte is voor lodde afhankelijk van de dichtheid van de
kabeljauwpopulatie.
In modellen van lineaire voedselketens als deze, wordt doorgaans
aangenomen dat het voortplantingssucces van de predator afhangt van zijn voedsel en dus van de
dichtheid van consumenten. De predatorsterfte is een constante parameter. In het geval van
de kabeljauw, een
commercieel interessante vissoort, is visvangst de belangrijkste oorzaak
van sterfte.
Drempelwaarde
Voor elke waarde van kabeljauwsterfte, ofwel de intensiteit van de
vangst, bestaat een
evenwicht in de levensgemeenschap; een punt waarop de hoeveelheden
plankton, lodde en
kabeljauw rondom een vaste waarde schommelen. Bij een lage vangst zal de
kabeljauwpopulatie groot zijn, de loddepopulatie klein en de planktonpopulatie
weer groot.

In het lineair
(ongestructureerde) model bevat de voedselketen drie niveaus.
Dit model kijkt niet naar variaties binnen een populatie.
Er is een drempelwaarde voor de kabeljauwsterfte. Als er meer kabeljauw
sterft, kan de vis niet
voortbestaan. Voor sterfte beneden de drempelwaarde kan kabeljauw zich
altijd vestigen in een
levensgemeenschap van lodde en plankton waarin hij eerst niet voorkwam.
Met andere woorden, mochten regeringen, geschrokken door de zeldzaamheid
van de kabeljauw,
besluiten de vangst terug te brengen of zelfs helemaal stop te zetten
dan zal de populatie
volgens dit model - mits er minstens één mannetje en één vrouwtje zijn
overgebleven,
onmiddellijk weer groeien. Tot zover het positieve, optimistische
nieuws. Het Canadese
moratorium heeft zoals gezegd laten zien dat het niet werkt.
Ongestructureerd
model
De hierboven beschreven modelvorming is vergelijkbaar met die van
chemische reacties. Dat is
niet verwonderlijk aangezien één van de pioniers, Alfred J. Lotka, van
huis uit chemicus was.
De individuele organismen zijn niets anders dan deeltjes, die tezamen
een homogene eenheid
vormen.
Ecologie zit echter ingewikkelder in elkaar dan de gemiddelde chemische
reactie. Het (fysiologisch)
ongestructureerde model gaat aan één belangrijk gegeven voorbij.
Individuele organismen binnen
één populatie zijn geen homogene deeltjesverzameling, maar vertonen vaak
grote verschillen.
Niet elk organisme heeft dezelfde kans opgegeten te worden.
Individuen groeien en ontwikkelen zich gedurende hun leven. Bij geboorte
zijn de loddelarven
3 tot 6 millimeter, maar uiteindelijk kunnen individuen lengtes bereiken
van 25 centimeter.
Roofvissen als kabeljauw zijn zeer selectief in de keuze van hun
prooidieren: zeer kleine prooien
kunnen aan de jacht ontsnappen, omdat ze door de roofvissen over het
hoofd worden gezien of
omdat ze zo klein zijn dat ze door de kieuwen van de predator kunnen
ontkomen.
Roofvissen zijn daarnaast beperkt in hun voedselkeuze door de maximale
opening van hun bek.
Zeer grote prooivissen hebben daardoor minder te lijden van predatie.
Door de bank genomen
blijken roofvissen met name prooien te eten met een lengte die ongeveer
tien keer zo klein is als
hun eigen lengte. De kabeljauw blijkt alleen de kleine loddevissen te
eten.
Als we de lengteverdeling van de lodde (de consument) expliciet in een
model meenemen voor de
levensgemeenschap van plankton, lodde en kabeljauw, komen we terecht bij
(fysiologisch)
gestructureerde populatiemodellen.

Het gestructureerde
model neemt de lengteverschillen in de loddepopulatie mee.
Kabeljauw eet alleen de kleine lodde.
In afwezigheid van kabeljauw bestaat de loddepopulatie voornamelijk uit
individuen van middelmatige afmetingen. Door de hoge dichtheid aan middelmaat ontstaat er een
grote concurrentie
tussen de soortgenoten, met als gevolg dat de vissen nauwelijks nog
mogelijkheden hebben om
te groeien. Dit leidt tot een opstopping in de middenklasse.
Als er wél kabeljauw is, worden de kleine exemplaren opgegeten, zodat de
toevoer naar
de middelste klasse lager wordt. Hierdoor wordt de concurrentie, de
'opstopping', verminderd en
kunnen individuen makkelijker en sneller doorgroeien naar de volwassen
klasse.
Als gevolg daarvan gaan de grote loddevissen de populatie in aantal
domineren. Deze toename
in het aantal vruchtbare volwassenen betekent ook een toename in het
aantal jonge loddevisjes,
waar de kabeljauw van leeft. Door zijn aanwezigheid verhoogt de
kabeljauw dus zijn eigen voedselaanbod! Het lijkt contra-intuïtief, maar al met al is het heel
logisch.
Filevorming
Het effect kan het beste begrepen worden met behulp van een analogie: de
file. Bij het ontstaan
van verkeersopstoppingen neemt de totale doorstroom van auto's op een
kritiek moment af bij een
steeds maar toenemend aanbod van auto's. Door de grotere drukte
vermindert de totale doorstroom.
Een reductie in het aanbod zorgt dat de automobilisten elkaar minder
dwars zitten.
Het gestructureerde model voorspelt dat predatoren die zich éénmaal
gevestigd hebben, kunnen
blijven voortbestaan bij een veel hogere predatorsterfte - of vangst -
dan we op grond van het
ongestructureerde model zouden verwacht. Maar het is lastiger voor een
jager om zich te vestigen
in een nieuw gebied. Het lukt een pionierspopulatie predatoren, vanwege
haar geringe omvang,
niet om de verandering in de lengte-verdeling van de prooi te induceren.
De populatie jagers blijft
klein en afhankelijk van immigratie vanuit naburige populaties. Dit is
een wankel evenwicht. De kans
dat de populatie door een kleine verstoring opnieuw het loodje legt,
blijft levensgroot aanwezig.

Door de vangst van
middelgrote loddevissen wordt meer lodde volwassen.
Dat levert weer meer kleine visjes en dus prooi voor de kabeljauw op.
Als de predatorsterfte heel laag is (dus bij een visserijmoratorium),
kan de populatie natuurlijk
wel groeien. Jagers kunnen zich dus enkel vestigen in een
evenwichtstoestand van alleen consumenten en resource als hun mortaliteit beneden een bepaalde
drempelwaarde ligt. Deze grenswaarde, de invasiedrempel, kan echter wel tot tien keer lager liggen dan
het sterftecijfer waarbij
een jager in de problemen komt als hij zich al wél in een
levensgemeenschap gevestigd heeft.
Eenmaal verdwenen kan een predator als de kabeljauw daarom pas weer
herstellen als de mortaliteit drastisch wordt teruggebracht tot beneden de veel lagere
invasiedrempel. Dit zou verklaren
waarom herstel van de populatie in Canada, zelfs na sluiting van de
visserij, niet is waargenomen.
De bijvangst van kabeljauw bij de visserij op andere soorten maakt het
namelijk vrijwel onmogelijk
de visserijmortaliteit van deze vissoort tot zulke lage waarden te
reduceren.
Middelmoot wegvissen
De gegevens die bekend zijn over de Canadese kabeljauwpopulatie, komen
precies overeen met
de verwachtingen, die we op basis van het gestructureerde model kunnen
formuleren. Na het
verdwijnen van de kabeljauw is de dichtheid van de loddepopulatie
toegenomen, maar is de gemiddelde lengte van de individuen juist afgenomen. Dit duidt erop dat de
loddepopulatie weer
voornamelijk gedomineerd wordt door de middenklasse, en niet meer door
de grote vissen. Dat
de kabeljauw een invloed heeft op de samenstelling van zijn
prooipopulatie lijkt dus ook naar
voren te komen uit de veldgegevens.
Het feit dat de leefgemeenschap van kabeljauw, lodde en plankton in twee
verschillende natuurlijke evenwichten kan verkeren - één met en één zonder de predator -
maakt de weg naar herstel
van de kabeljauwpopulatie vele malen moeilijker. Met het wegvissen van
de middelgrote loddes
hebben we echter een gereedschap in handen dat we niet over het hoofd
moeten zien. Voor de
kabeljauw betekent het wellicht de allerlaatste kans.
Voor de Canadese overheid is deze optie het overwegen waard, maar
misschien moet de Europese
Unie zich ook eens over deze mogelijkheid buigen. In de Noordzee jaagt
kabeljauw weliswaar op
een meer diverse samenstelling van vissen, maar of de prooi nou lodde
heet of haring of heek:
als middelgrote vissen de groep domineren, is er te weinig kleine vis
voor de kabeljauw.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Natuurwetenschap & Techniek:
www.natutech.nl
Met dank aan
Sanne Deurloo en
Prof. André De
Roos
|
|