Kabeljauw komt zó echt niet terug
Geschreven door Prof. André de Roos


 
 
 

De kabeljauw dreigt overal ter wereld volledig te worden weggevist. Overheden zien een rem op de vangst als dé oplossing. De EU besloot begin december het vangstquotum verder terug te brengen, maar het is de vraag of dat werkt. Hoewel het contra-intuïtief lijkt, moet je juist een deel van de prooivissen wegvangen.


Rond 1970 was de paaistand voor de kabeljauw in de Noordzee nog 250.000 ton. Nu, dertig jaar later, laat de weegschaal niet veel meer dan 50.000 ton zien. In de Baltische zee, voor de westkust van Zweden en in de noordwestelijke Atlantische Oceaan voltrekt zich een zelfde drama. In dit laatste gebied, op het continentale plat van Canada en de Verenigde Staten, stortte de kabeljauwpopulatie begin jaren negentig volledig in. Daarop besloot de Canadese overheid om de vangst geheel te verbieden. Zelfs na ruim tien jaar heeft dit moratorium nog niet geleid tot een herstel van de populatie.


Wellicht bieden nieuwe ecologische inzichten nog een kans. Het lijkt contra-intuïtief, maar waarschijnlijk moet je in Canada beginnen met het wegvissen van een deel van de prooi. Dun je de middengroep daarvan uit, dan heeft de rest van de prooien meer kans om uit te groeien tot volwassen exemplaren en zich te reproduceren. Daarmee krijg je een hogere dichtheid van de voor de kabeljauw zo broodnodige kleine vissen.



Het verbod op de kabeljauwvangst lijkt in eerste instantie een veel logischer oplossing om de kabeljauwpopulatie te herstellen. Aan de basis van deze gedachte ligt een ecologisch model van een voedselketen met drie niveaus; een voedselbron (de resource), een consument die leeft van die bron en een predatorsoort die jaagt op de consument.


De predatorsoort in deze levensgemeenschap is de kabeljauw. In het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan jaagt de roofvis bijna uitsluitend op lodde. En dit visje voedt zich op zijn beurt voornamelijk met plankton. Plankton is de motor waar deze levensgemeenschap op draait. De productie van plankton is voornamelijk afhankelijk van de eigen dichtheid. De groeisnelheid van lodde en kabeljauw is gelijk aan het verschil tussen het aantal geboorten en het aantal sterfgevallen per tijdseenheid. Hoe hoger de dichtheid van het plankton, hoe sneller lodde zich voortplant. De sterfte is voor lodde afhankelijk van de dichtheid van de kabeljauwpopulatie.


In modellen van lineaire voedselketens als deze, wordt doorgaans aangenomen dat het voortplantingssucces van de predator afhangt van zijn voedsel en dus van de dichtheid van consumenten. De predatorsterfte is een constante parameter. In het geval van de kabeljauw, een commercieel interessante vissoort, is visvangst de belangrijkste oorzaak van sterfte.


Drempelwaarde
Voor elke waarde van kabeljauwsterfte, ofwel de intensiteit van de vangst, bestaat een evenwicht in de levensgemeenschap; een punt waarop de hoeveelheden plankton, lodde en kabeljauw rondom een vaste waarde schommelen. Bij een lage vangst zal de kabeljauwpopulatie groot zijn, de loddepopulatie klein en de planktonpopulatie weer groot.




 

In het lineair (ongestructureerde) model bevat de voedselketen drie niveaus. Dit model kijkt niet naar variaties binnen een populatie.

Er is een drempelwaarde voor de kabeljauwsterfte. Als er meer kabeljauw sterft, kan de vis niet voortbestaan. Voor sterfte beneden de drempelwaarde kan kabeljauw zich altijd vestigen in een levensgemeenschap van lodde en plankton waarin hij eerst niet voorkwam.


Met andere woorden, mochten regeringen, geschrokken door de zeldzaamheid van de kabeljauw, besluiten de vangst terug te brengen of zelfs helemaal stop te zetten dan zal de populatie volgens dit model - mits er minstens één mannetje en één vrouwtje zijn overgebleven, onmiddellijk weer groeien. Tot zover het positieve, optimistische nieuws. Het Canadese moratorium heeft zoals gezegd laten zien dat het niet werkt.



Ongestructureerd model
De hierboven beschreven modelvorming is vergelijkbaar met die van chemische reacties. Dat is niet verwonderlijk aangezien één van de pioniers, Alfred J. Lotka, van huis uit chemicus was. De individuele organismen zijn niets anders dan deeltjes, die tezamen een homogene eenheid vormen.


Ecologie zit echter ingewikkelder in elkaar dan de gemiddelde chemische reactie. Het (fysiologisch) ongestructureerde model gaat aan één belangrijk gegeven voorbij. Individuele organismen binnen één populatie zijn geen homogene deeltjesverzameling, maar vertonen vaak grote verschillen. Niet elk organisme heeft dezelfde kans opgegeten te worden.


Individuen groeien en ontwikkelen zich gedurende hun leven. Bij geboorte zijn de loddelarven 3 tot 6 millimeter, maar uiteindelijk kunnen individuen lengtes bereiken van 25 centimeter. Roofvissen als kabeljauw zijn zeer selectief in de keuze van hun prooidieren: zeer kleine prooien kunnen aan de jacht ontsnappen, omdat ze door de roofvissen over het hoofd worden gezien of omdat ze zo klein zijn dat ze door de kieuwen van de predator kunnen ontkomen.


Roofvissen zijn daarnaast beperkt in hun voedselkeuze door de maximale opening van hun bek. Zeer grote prooivissen hebben daardoor minder te lijden van predatie. Door de bank genomen blijken roofvissen met name prooien te eten met een lengte die ongeveer tien keer zo klein is als hun eigen lengte. De kabeljauw blijkt alleen de kleine loddevissen te eten.


Als we de lengteverdeling van de lodde (de consument) expliciet in een model meenemen voor de levensgemeenschap van plankton, lodde en kabeljauw, komen we terecht bij (fysiologisch) gestructureerde populatiemodellen.






Het gestructureerde model neemt de lengteverschillen in de loddepopulatie mee. Kabeljauw eet alleen de kleine lodde.

In afwezigheid van kabeljauw bestaat de loddepopulatie voornamelijk uit individuen van middelmatige afmetingen. Door de hoge dichtheid aan middelmaat ontstaat er een grote concurrentie tussen de soortgenoten, met als gevolg dat de vissen nauwelijks nog mogelijkheden hebben om te groeien. Dit leidt tot een opstopping in de middenklasse.


Als er wél kabeljauw is, worden de kleine exemplaren opgegeten, zodat de toevoer naar de middelste klasse lager wordt. Hierdoor wordt de concurrentie, de 'opstopping', verminderd en kunnen individuen makkelijker en sneller doorgroeien naar de volwassen klasse.


Als gevolg daarvan gaan de grote loddevissen de populatie in aantal domineren. Deze toename in het aantal vruchtbare volwassenen betekent ook een toename in het aantal jonge loddevisjes, waar de kabeljauw van leeft. Door zijn aanwezigheid verhoogt de kabeljauw dus zijn eigen voedselaanbod! Het lijkt contra-intuïtief, maar al met al is het heel logisch.



Filevorming
Het effect kan het beste begrepen worden met behulp van een analogie: de file. Bij het ontstaan van verkeersopstoppingen neemt de totale doorstroom van auto's op een kritiek moment af bij een steeds maar toenemend aanbod van auto's. Door de grotere drukte vermindert de totale doorstroom. Een reductie in het aanbod zorgt dat de automobilisten elkaar minder dwars zitten.


Het gestructureerde model voorspelt dat predatoren die zich éénmaal gevestigd hebben, kunnen blijven voortbestaan bij een veel hogere predatorsterfte - of vangst - dan we op grond van het ongestructureerde model zouden verwacht. Maar het is lastiger voor een jager om zich te vestigen in een nieuw gebied. Het lukt een pionierspopulatie predatoren, vanwege haar geringe omvang, niet om de verandering in de lengte-verdeling van de prooi te induceren. De populatie jagers blijft klein en afhankelijk van immigratie vanuit naburige populaties. Dit is een wankel evenwicht. De kans dat de populatie door een kleine verstoring opnieuw het loodje legt, blijft levensgroot aanwezig.






Door de vangst van middelgrote loddevissen wordt meer lodde volwassen. Dat levert weer meer kleine visjes en dus prooi voor de kabeljauw op.


Als de predatorsterfte heel laag is (dus bij een visserijmoratorium), kan de populatie natuurlijk wel groeien. Jagers kunnen zich dus enkel vestigen in een evenwichtstoestand van alleen consumenten en resource als hun mortaliteit beneden een bepaalde drempelwaarde ligt. Deze grenswaarde, de invasiedrempel, kan echter wel tot tien keer lager liggen dan het sterftecijfer waarbij een jager in de problemen komt als hij zich al wél in een levensgemeenschap gevestigd heeft.


Eenmaal verdwenen kan een predator als de kabeljauw daarom pas weer herstellen als de mortaliteit drastisch wordt teruggebracht tot beneden de veel lagere invasiedrempel. Dit zou verklaren waarom herstel van de populatie in Canada, zelfs na sluiting van de visserij, niet is waargenomen. De bijvangst van kabeljauw bij de visserij op andere soorten maakt het namelijk vrijwel onmogelijk de visserijmortaliteit van deze vissoort tot zulke lage waarden te reduceren.



Middelmoot wegvissen
De gegevens die bekend zijn over de Canadese kabeljauwpopulatie, komen precies overeen met de verwachtingen, die we op basis van het gestructureerde model kunnen formuleren. Na het verdwijnen van de kabeljauw is de dichtheid van de loddepopulatie toegenomen, maar is de gemiddelde lengte van de individuen juist afgenomen. Dit duidt erop dat de loddepopulatie weer voornamelijk gedomineerd wordt door de middenklasse, en niet meer door de grote vissen. Dat de kabeljauw een invloed heeft op de samenstelling van zijn prooipopulatie lijkt dus ook naar voren te komen uit de veldgegevens.


Het feit dat de leefgemeenschap van kabeljauw, lodde en plankton in twee verschillende natuurlijke evenwichten kan verkeren - één met en één zonder de predator - maakt de weg naar herstel van de kabeljauwpopulatie vele malen moeilijker. Met het wegvissen van de middelgrote loddes hebben we echter een gereedschap in handen dat we niet over het hoofd moeten zien. Voor de kabeljauw betekent het wellicht de allerlaatste kans.


Voor de Canadese overheid is deze optie het overwegen waard, maar misschien moet de Europese Unie zich ook eens over deze mogelijkheid buigen. In de Noordzee jaagt kabeljauw weliswaar op een meer diverse samenstelling van vissen, maar of de prooi nou lodde heet of haring of heek: als middelgrote vissen de groep domineren, is er te weinig kleine vis voor de kabeljauw.



Dit artikel is eerder gepubliceerd in Natuurwetenschap & Techniek: www.natutech.nl

Met dank aan Sanne Deurloo en Prof. André De Roos
 
 


Heb je ook wat te melden ivm sportvisserij: info[at]zeevissport.com



Disclaimer

Ontwerp en onderhoud door Zeevissport vzw     Copyright © 2005 - 2010 Zeevissport vzw.     Alle rechten voor behouden.    Laatst gewijzigd op: 02 jan 2010 10:44